Marcs oude doos: Op bezoek bij Prince Polley (2)

Geschreven door op 29 januari 2010


In de rubriek Marcs oude doos blikt Marc Broere terug op bijzondere ontmoetingen met mensen uit het Afrikaanse voetbal. Met in deze aflevering het tweede deel van het bijzondere verhaal van Prince Polley.

Bijna verdronken
Op 13 mei 1988 maakte Prince Polley zijn debuut voor Sparta in een thuiswedstrijd tegen Feyenoord. De Spartanen verloren met 1-3. Het seizoen daarop maakte Polley 16 doelpunten  en was hij één van de eerste Afrikaanse spelers die furore maakte in de Eredivisie. ‘Naast mij was Mohamed Sylla van Willem 11 geloof ik de enige andere Afrikaanse voetballer in Nederland’, zegt hij. ‘We waren toen nog een exotische verschijning op de Nederlandse velden.’ Op zijn beurt moest Polley wennen aan de Nederlandse voetbalhumor. Eén keer zelfs bijna met fatale gevolgen. ‘Tijdens mijn eerste trainingskamp met Sparta in Limburg ben ik bijna verdronken. Ik zat naast het zwembad een ijsje te eten en ben toen door mijn medespelers in het water gegooid. Ze realiseerden zich niet dat ik niet kon zwemmen. Ik zakte naar de bodem en kreeg water in mijn longen. Uiteindelijk hebben een paar medespelers me uit het water gered en op de kant gelegd.’

Toen Polley hoorde dat Rob Baan bij Sparta weg zou gaan, besloot hij ook zelf te vertrekken. Hij belandde bij het Belgische Beerschot en scoorde in zijn eerste seizoen

zeven doelpunten. Toen Beerschot in financiële problemen kwam, werd Polley verkocht aan Germinal Eekeren. Ook hier wist hij in zijn eerste seizoen zeven keer te scoren. ‘Eekeren was een echt familieteam’, blikt hij terug. ‘Ook buiten het voetbal om trokken de spelers veel met elkaar om. Ik vond het vooral leuk om met Simon Tahamata samen te spelen.’ Toen Polley na een jaar een telefoontje kreeg van Rob Baan, hoefde hij zich geen moment te bedenken. ‘Rob was trainer van FC Twente geworden en nodigde me uit voor een testwedstrijd tegen Charleroi. Na die wedstrijd kreeg ik meteen een contract aangeboden.’

Eigen fanclub
Bij FC Twente speelde Prince Polley tussen 1992 en 1994 het beste voetbal uit zijn carrière.

In twee seizoenen maakte hij 20 doelpunten. De Ghanees speelde in een elftal met onder andere Jan van Halst, Fred Rutten, Ronald de Boer, Youri Mulder, Michel Boerebach en de toen nog jonge talenten Gerald Sibon, Boudewijn Pahlplatz en Michael Mols. En hij groeide uit tot een cultfiguur in Enschede. ‘Ik was de enige speler met een eigen fanclub’, zegt hij lachend. ‘Ze droegen altijd een zwart shirt met daarop een witte afbeelding van mijn hoofd. Go Polley go, stond er op. Deze supporters bezochten me ook regelmatig thuis.’

Ook persoonlijk had Polley zijn draai gevonden in Enschede. Hij reisde vaak op en neer naar Duitsland waar Tony Yeboah bij Eintracht Frankfurt speelde. Ook bewaart hij goede herinneringen aan Youri Mulder en zijn ouders. ‘De moeder van Youri kwam vaak voor hem koken. Dan at ik ook regelmatig mee. Zij was een hele hartelijke vrouw.  Ook zijn vader Jan kwam dan mee. Met hem kon je enorm lachen.’

En dan was daar Jan van Halst. Bij het noemen van zijn naam schiet Polley onbedaarlijk in de lach. Van Halst beschreef enkele jaren geleden op de website van FC Twente in geuren en kleuren hoe hij Polley tot twee keer toe had uitgenodigd om bij hem thuis te komen eten. De Ghanees kwam echter nooit opdagen omdat hij beide keren in slaap was gevallen. Pas bij de derde uitnodiging ging het goed. Ook schreef Van Halst dat Polley zich nooit aan de tactische aanwijzingen van de trainer hield, maar bij zijn boze medespelers altijd weer vergiffenis afdwong door het maken van belangrijke doelpunten. ‘Jan en ik hadden vaak ruzie met elkaar’, zegt hij. ‘Soms moesten we bij Rob Baan in zijn kantoor komen om het uit te praten. Jan had er vooral een hekel aan als ik hem met de buitenkant voet aanspeelde. Die ballen kon hij namelijk moeilijk controleren. Dan begon hij altijd enorm naar me te schreeuwen. Als ik vervolgens alleen maar teruglachte, werd hij nog bozer.’

Toch benadrukt Polley dat hij Jan van Halst de fijnste collega vindt met wie hij ooit heeft samengespeeld. Hij spreekt zelfs een videoboodschap voor zijn oud-ploeggenoot in.

‘Jan is een hele emotionele jongen’, zegt hij vervolgens. ‘Als het moeilijk ging in een wedstrijd, dan was hij het die altijd doorvocht en het team bleef motiveren. En telkens als ik scoorde was hij de eerste die me kwam feliciteren. Ik vind het fantastisch dat FC Twente het nu zo goed doet en heb begrepen dat Jan nu commercieel manager van de club is. Er is niemand die ik dat succes zo gun als hem.’


Gemene trucs
Bij FC Twente maakte Nederland ook kennis met een andere onberekenbare eigenschap van de Ghanese voetballer. Toen de Tukkers een uitwedstrijd tegen Feyenoord moesten spelen, wist Polley uit ervaring dat hij het zwaar zou krijgen tegen John de Wolf.  Ook dit keer begon de wedstrijd niet in zijn voordeel. ‘De eerste tien minuten kreeg ik al een paar schoppen. Ik moest iets doen om niet helemaal uit de wedstrijd gespeeld te worden.’ Die mogelijkheid kwam tijdens een corner. Toen Polley zijn hand naar achteren deed voelde hij iets vreemds. ‘Ik realiseerde me opeens dat ik de ballen van De Wolf beet had. Ik aarzelde geen moment en gaf er een enorme draai aan. Hij viel op de grond en begon te schreeuwen.  Zijn ogen waren helemaal rood. Jaren later zagen mijn broertje en ik een interview met hem op de televisie. De Wolf vertelde toen dat ik de vuilste speler was tegen wie hij ooit heeft gespeeld. We hebben toen erg gelachen.’

Toch staat het incident met De Wolf niet op zichzelf. Terugkijkend op zijn carrière zegt Polley dat hij inderdaad een gemene speler was.‘Gemene trucs waren onderdeel van mijn spel. Ik trapte vaak bewust hard op de tenen of voeten van verdedigers, ook als de bal niet in de buurt was, en deed dan alsof dit per ongeluk was gebeurd. Maar ik had hier een bewust plan mee. Soms lieten spelers zich hierdoor provoceren en kregen dan een gele of zelfs rode kaart. Als ik eenmaal een paar tikken had uitgedeeld, wist ik zeker dat ik de rest van de wedstrijd ruimte voor mezelf had afgedwongen en mijn beste spel kon spelen.’

Topscorer
Inmiddels was Polley ook uitgegroeid tot een belangrijke en veel scorende international van Ghana. Met de Black Stars haalde hij zelfs de finale van de Afrika Cup in 1992 waar de Ghanezen uiteindelijk na een bloedstollende penaltyserie (11-10) van Ivoorkust verloren.

Ook tijdens de Afrika Cup in 1994 was hij van de partij. Als Ghanees international en na twee goede seizoenen bij FC Twente had Prince Polley een duidelijk toekomstbeeld. ‘Het was mijn droom om topscorer van Nederland te worden. Ik hoopte op een transfer naar Ajax, PSV of Feyenoord. Of anders naar een goede club in Duitsland of Engeland.’

Uiteindelijk werd het Heerenveen. Hoewel Polley slechts negentien wedstrijden voor Heerenveen speelde en maar twee keer scoorde, kan hij smakelijk vertellen over zijn periode in Friesland. Hij speelde in een team met onder andere Gertjan Verbeek, Hennie Meijer, Piet Keur, Jan de Visser en een piepjonge Jon Dahl Tomasson. Het was een gezellige groep die regelmatig met elkaar op stap ging, bijvoorbeeld naar Amsterdam. Ondertussen ging het met Polley zelf niet goed. ‘Ik speelde sinds de Afrika Cup in 1992 al met pijn in mijn knie. Het tweede seizoen bij FC Twente gebruikte ik al vaak pijnstillers voor de wedstrijd. Bij Heerenveen nam de pijn steeds verder toe. De clubarts hield me eerlijk voor dat hij eraan twijfelde of ik nog door kon gaan met professioneel voetbal. Ik heb me verder laten onderzoeken door dokter Martens in België die ook weinig optimistisch was.’

Rob Baan adviseerde hem om een divisie lager voor Excelsior te gaan spelen, zodat zijn knie niet belast werd met twee trainingen per dag. Bij Excelsior speelde Polley in twee seizoenen nog 24 wedstrijden en onderging hij een zware knieoperatie. Desondanks werd de pijn alleen maar erger. De Ghanees besloot daarom een streep achter zijn loopbaan te zetten en ging afbouwen bij amateurclub Heerjansdam, waar hij in ieder geval het plezier in het voetbal weer terugkreeg.

Nog één keer lonkte het betaalde voetbal toen hij benaderd werd door FC Aarau in Zwitersland. Zij vochten tegen degradatie uit de hoogste divisie in Zwitserland en hadden voor de play-offs een spits nodig. ‘Omdat het toen redelijk ging met mijn knie ben ik gegaan.

Uiteindelijk is het ook nog een leuk slot van mijn profcarrière geworden. We moesten onze laatste wedstrijd tegen FC Sion winnen om niet te degraderen. Ik scoorde toen het enige doelpunt.’ Meer zat er echter niet in. ‘Ons trainingsveld lag tussen de bergen. In de zomer was het helemaal doorweekt, omdat er gesmolten ijs van de bergen kwam. Dat was heel slecht voor mijn knie. Na een training kon ik bijna niet meer lopen.’ Terug in Nederland speelde Polley nog een seizoen bij de amateurs van Sparta. ‘Uiteindelijk ben ik gestopt op de plaats waar ik ooit begonnen ben. Hiermee was de cirkel rond.’

Morgen komt het laatste deel op de website met daarin onder meer zijn werkzaamheden na het einde van zijn profcarrière  en zijn vriendschappen met andere voetballers.
Lees hier deel 1 van Marcs oude doos: Op bezoek bij Prince Polley
Dit verhaal verscheen drie weken geleden ook in Voetbal International.

Deel met anderen:
  • Print
  • Digg
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Mixx
  • Google Bookmarks
  • email
  • Hyves
  • LinkedIn
  • Live
  • NuJIJ
  • PDF
  • RSS
  • StumbleUpon
  • Technorati
  • Twitter
Line Break

Auteur: Marc Broere (100 Articles)

Marc Broere

Marc Broere is hoofdredacteur van lokaalmondiaal. Hij is schrijver van de boeken Afrika Voetbalt! en Het Zout van Afrika, sporthelden van een dynamisch continent.

Stuur een reactie