Marcs oude doos: Op bezoek bij Prince Polley (3)

Geschreven door op 30 januari 2010


In de rubriek Marcs oude doos blikt Marc Broere terug op bijzondere ontmoetingen met mensen uit het Afrikaanse voetbal. Met in deze aflevering het laatste deel van het bijzondere verhaal van Prince Polley.

Scoutingswerk
Het is inmiddels eind van de middag en de zon gaat onder. Polley zegt dat er in de stad een voetbalwedstrijd is tussen King Faisal, de tweede club uit Kumasi, en Hearts of Oak, het topteam uit de hoofdstad Accra.  Hij belt een vriend om ons naar het stadion te brengen. Zelf heeft hij geen zin om mee te gaan. ‘Ik ga eigenlijk nooit meer naar het stadion, zelfs niet als de Black Stars in Kumasi spelen.’ Banden met de voetballerij heeft hij sowieso nauwelijks nog. ‘Een paar jaar geleden ben ik gevraagd om wat scoutingswerk te doen voor de voetbalschool van Feyenoord in Ghana, maar daar voelde ik weinig voor. Soms zie ik nog wel eens een echt talent in Kumasi. Die stuur ik dan door naar Nii Lamptey (de oud-speler van Anderlecht en PSV) die nu coach is van een clubteam hier in Ghana. Van Lamptey weet ik zeker dat hij goed met jonge talenten zal omgaan, omdat hij zelf vroeger als jonge speler ten onder is gegaan aan te hoge verwachtingen.’ Verder komen jonge voetballers uit Kumasi, die door een buitenlandse club zijn benaderd, soms nog even bij hem langs voor advies. Een recent voorbeeld is jeugdinternational Ransford Osei die inmiddels onder contract staat bij FC Twente. ‘Ik heb hem natuurlijk een positief advies gegeven.’

Daarnaast kan Polley niet mee naar de wedstrijd omdat hij ander werk te doen heeft. ‘Ik moet mijn mensen gaan uitbetalen’, zegt hij. De oud-voetballer heeft een eigen constructiebedrijfje dat aan wegenbouw en huizenbouw doet. Daarnaast verhuurt hij gigantische vrachtwagens die over de wegen in West-Afrika razen. ‘Het leven is niet slecht voor mij’, lacht hij. ‘Ik word wakker en ga vervolgens rustig kijken hoe het gaat op de plaatsen waar we aan het werk zijn. Pas aan het einde van de middag hoef ik terug om de mensen uit te betalen. Dan kan ik ’s avonds rustig ontspannen met mijn vrienden. Ik ben niet rijk, maar met het geld dat ik heb gespaard en nu verdien kan ik doen wat ik wil.’

Terwijl we in de auto stappen, zegt Polley hier in Ghana volmaakt gelukkig te zijn. ‘Ik heb altijd geweten dat ik direct na mijn voetballoopbaan weer terug naar Ghana wilde. Je hebt hier geen stress. In Nederland werd ik telkens weer zenuwachtig als ik mijn brievenbus opende. Hier in Ghana zijn er gelukkig geen brievenbussen die ik hoef te openen en is er niemand die ook maar enige druk op me uitoefent.’

Legendevorming
In een matig gevuld stadion kijken we naar de wedstrijd. We zitten in het supportersvak van Hearts of Oak en de hele wedstrijd wordt er gezongen en gedanst. En ook hier is de vuvuzela doorgedrongen. De uitploeg wint uiteindelijk met 0-1. We spoeden ons daarna naar Parlian, het stamcafé van Prince Polley dat midden in de wijk Bantama ligt. Binnen is café vrijwel leeg, maar buiten zijn alle tafeltjes bezet en hangen tientallen mensen rond. Als Polley zijn auto parkeert, moet hij eerst veel mensen begroeten. Hij stelt ons voor aan een groep artsen uit het ziekenhuis van Kumasi. Een deel van de stamgasten zijn hoogopgeleiden die inmiddels elders in de stad wonen, maar net als Polley in de avonduren het liefst rondhangen in de armere wijk waar ze geboren zijn.  Het is duidelijk dat de oud-voetballer de grote bink is bij iedereen. ‘Ik ben de enige uit deze wijk die voor Asante Kotoko en de Black Stars heeft gespeeld’, zegt hij.

Er is sowieso veel legendevorming rondom de spelers uit zijn tijd, merkt Polley.  ‘Spelers als Michael Essien, Sule Muntari en Matthew Amoah zijn hier iedere week op de televisie te zien. Juist omdat mijn generatie dat niet was, lijkt het soms wel alsof onze prestaties extra groot worden gemaakt in de perceptie van mensen. Hoewel Ghana zich nu al twee keer achter elkaar voor de WK heeft geplaatst, klagen mensen over het weinig aantrekkelijke voetbal van de Black Stars. Wij hebben ons nooit geplaatst voor het WK, toch heeft iedereen het er nog steeds over hoe mooi het voetbal was dat wij speelden.’

Polley neemt naar eigen zeggen ‘bij hoge uitzondering’ een glas bier. We vragen hem hoe hij nu terugkijkt op zijn voetballoopbaan. Is hij niet teleurgesteld dat het na FC Twente bergafwaarts ging in plaats van die stap omhoog waar hij destijds van droomde?

Onmiddellijk is daar weer die brede lach. ‘Ach, zo is het leven. Ik bekijk het liever van de andere kant en waardeer de dingen die ik wél bereikt heb. Ik heb de kans gehad om in de Eredivisie te spelen én voor het nationale team van Ghana. In twee seizoenen heb ik in de competitie 20 goals voor FC Twente gemaakt en bij Sparta in één seizoen 16 doelpunten. Dat is best aardig voor een aanvaller die niet bij een topclub speelt. Verder heb ik gespeeld tegen Romario, Koeman, Rijkaard, Ronaldo en nog andere echte topspelers.  Ik ben er trots op dat ik deel heb mogen uitmaken van deze voetbalgeneratie.’

Altijd lachen
Het wordt een lange avond in Parlian. Polley vertelt het ene verhaal na het andere. Over Jon Dahl Tomasson bijvoorbeeld die vaak met hem meereed naar de training van Heerenveen, maar weinig vertrouwen had in de rijstijl van de Ghanees; en wiens Mountain Bike toen hij net in Nederland woonde ooit op het station in Heerenveen werd gestolen, waarna hij Polley in paniek uit bed belde. ‘Ik vind het heel leuk dat hij zo’n succesvolle carrière heeft gekregen. Dat had ik toen nooit verwacht.’ Ook praat Polley opvallend vaak en met warme gevoelens over Rob Baan die hij beschouwt als zijn tweede vader. ‘Rob heeft een hele belangrijke rol in mijn leven gespeeld. Hij is een hele goede man.’

Maar we praten ook over zijn eigen karakter. Door zijn oud-ploeggenoten wordt Prince Polley altijd als een ietwat vreemde vogel getypeerd. Hij denkt wel te weten waar dat aan ligt. ‘Dat komt omdat ik een persoon ben die altijd lacht. Als ik jullie nu zou doden, dan lach ik. Als jullie mij nu zouden doden, dan blijf ik ook lachen. Op de momenten dat mijn ploeggenoten boos op mij waren, dan lachte ik. Als ik scoorde, lachte ik ook. Wat iemand ook doet of zegt: ik kijk naar je en ik lach. Welke gevoelens er achter mijn lach schuilgaan zal nooit iemand merken. Zo zit ik nu eenmaal in elkaar, en daarom is het ook moeilijk om met mij samen te leven. Mensen weten nooit wat ik denk.’

Het is al na middernacht als we naar ons hotel lopen. Onderweg vertelt Polley dat hij besloten heeft om in juni 2010 naar het WK in Zuid-Afrika te gaan. ‘Ik wil er gewoon zijn en ervan genieten. Voor het Afrikaanse continent is dit een historisch moment en toch ook een droom, omdat de hele voetbalwereld op dat moment in Afrika is. Hoe gaat Afrika zich aan de rest van de wereld presenteren? Ik wil daar bij zijn om deze historische gebeurtenis, waar ons hele continent naar toeleeft, mee te maken. Ik hoop dat mensen hun vaak negatieve beeld van Afrika zullen bijstellen als ze er eenmaal geweest zijn.’

Maar eerst gaat hij in januari nog een maand op vakantie naar Nederland. Dan zal hij zeker even gaan kijken naar de training van Sparta waar de trouwe en oude fans hem nog altijd mee veel warmte begroeten en hij misschien wel weer een bal teruggooit op het trainingsveld.  ‘En’, zo verzekert Polley als we afscheid nemen bij de poort van het hotel, ‘ik ga dit keer ook maar eens op bezoek bij FC Twente.’ Nog één keer komt zijn brede lach tevoorschijn. ‘Dan hoop ik dat Jan van Halst me uitnodigt om bij hem te komen eten.’

Dit verhaal verscheen drie weken geleden ook in Voetbal International.

Deel met anderen:
  • Print
  • Digg
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Mixx
  • Google Bookmarks
  • email
  • Hyves
  • LinkedIn
  • Live
  • NuJIJ
  • PDF
  • RSS
  • StumbleUpon
  • Technorati
  • Twitter
Line Break

Auteur: Marc Broere (100 Articles)

Marc Broere

Marc Broere is hoofdredacteur van lokaalmondiaal. Hij is schrijver van de boeken Afrika Voetbalt! en Het Zout van Afrika, sporthelden van een dynamisch continent.

Stuur een reactie