Marcs oude doos: The white coach

Geschreven door op 14 januari 2010

In de rubriek Marcs oude doos blikt Marc Broere terug op zijn ontmoetingen binnen het Afrikaanse voetbal. Met deze week een actueel thema: westerse coaches in Afrika.

Terug naar de Afrika Cup in 2008.

Het Novotel in Accra is de thuisbasis van het nationale voetbalelftal van Namibië. We hebben afgesproken dat we om negen uur achter de bus van het elftal naar het trainingsveld zullen rijden. Om één minuut voor negen staat Arie Schans (foto) voor de deur van de spelersbus. Alle spelers zitten al binnen. De Liberiaanse sportjournalist Emmanuel Geeza Williams kan het bijna niet geloven. ‘Deze coach houdt de tijd aan’, zegt hij lachend. ‘Je kunt wel zien dat hij discipline in het elftal heeft gebracht.’ Langzaam rijdt de spelersbus weg, voorafgegaan door een motoragent en gevolgd door een ambulance. Terwijl we door de straten van de Ghanese hoofdstad rijden, staat het konvooi in het middelpunt van de belangstelling en worden de Namibiers enthousiast toegejuicht. Zelfs bedelaars zijn uitgedost als voetbalsupporters en zwaaien naar Schans en zijn mannen.

Het trainingsveld buiten Accra is speciaal voor de Afrika Cup aangelegd. Schans zet een wit petje op zijn hoofd en geeft een training van ruim anderhalf uur. Als een veldheer overziet hij het trainingsveld. Hij kreeg het team pas enkele weken voor de Afrika Cup onder zijn hoede nadat de Zambiaanse coach Ben Bamfuchile overleed. De uit Veenendaal afkomstige coach moet het doen met spelers die hij tot voor kort helemaal niet kende. Het elftal kent één vedette, Colin Benjamin van HSV. Na Huub Stevens bij zijn club in Hamburg heeft Benjamin nu met Arie Schans opnieuw een Nederlandse trainer. En daar is hij blij om. ‘Ik heb in principe niets tegen een lokale coach, alleen ken ik geen enkele Namibische coach die mij nog iets kan leren’, zegt hij. ‘Van Arie Schans leren we iedere dag weer iets nieuws. Verder heeft hij discipline in het elftal gebracht: als er getraind moet worden, dan wordt er ook echt getraind. Alleen een Europese coach kan ons verder helpen.’

Bonte mix

De mening van Colin Benjamin lijkt door de meeste Afrikaanse voetballanden gedeeld te worden. Bij het merendeel staat een westerse coach voor de groep. Het trainerscorps op deze Afrika Cup bijvoorbeeld is een bonte mix van ervaren Afrika-gangers en coaches die voor het eerst actief zijn op het continent. De zeventigjarige Otto Pfister bijvoorbeeld was alleen in Afrika al bondscoach van Rwanda, Burkina Faso, Senegal, Ivoorkust, Congo, Ghana, Togo en nu Kameroen. Ook de Franse trainer van Ghana, Claude LeRoy, trainde hiervoor al Kameroen, Congo en Senegal. Arie Schans deed eveneens ervaring op in ontwikkelingslanden. Zo was hij bondscoach van het Himalaya koninkrijkje Bhutan en als trainer naast Japan ook nog actief in China en Mozambique.

Een garantie voor succes zijn de ervaren buitenlandse coaches niet. Zo lag de voormalige bondscoach van Frankrijk, Henry Michel, er met Marokko al in de eerste ronde uit. Datzelfde gold voor de inmiddels zelfs ontslagen Roger Lemerre met Tunesië. Ook de Braziliaanse topcoach Carlos Alberto Parrera wist Zuid-Afrika niet door de eerste ronde heen te loodsen, terwijl ook Berti Vogts met Nigeria weinig indruk wist te maken. De winnende coach was net als twee jaar geleden dezelfde lokale coach: Hassan Shehata uit Egypte.

Gebrek aan gekwalificeerde coaches

Terug in het Novotel stapt een fris gedouchte Arie Schans uit de lift. We zoeken een tafeltje aan de bar en hij begint enthousiast te praten over zijn ervaringen. ‘We reden net met de bus door een sloppenwijk en werden door de mensen toegejuicht. Even dacht ik: er moet voor die mensen toch wel wat belangrijker dan voetbal zijn. Aan de andere kant biedt voetbal juist ook voor hen een mogelijkheid om eens plezier in het leven te hebben.’

Op de vraag waarom Namibië eigenlijk een buitenlandse coach nodig heeft, komt Schans met een afgewogen antwoord. ‘Volgens mijn Namibische collega’s komt dat omdat men in Namibië nauwelijks trainersopleidingen heeft en er amper gekwalificeerde coaches zijn. Er is vooral gebrek aan jeugdcoaches die de voetballers in de leeftijd tussen 12 en 16 jaar kunnen trainen. Dit is de zogeheten golden age waarin jonge voetballers voor het eerst met tactiek in aanraking komen. Helaas gebeurt daar nu heel weinig in. Ik zie ook dat spelers uit de lokale competitie van Namibië op het gebied van tactiek heel erg achterlopen bij de spelers die in een buitenlandse competitie uitkomen.’ Schans voegt er aan toe dat er langzaam verbetering komt. ‘De FIFA en ook de KNVB Academie bieden trainerscursussen aan in Afrika. Het niveau van lokale coaches zal daardoor de komende jaren langzaam omhoog gaan. Verder leren lokale coaches en spelers ook veel van de spelers die in de Europese competities uitkomen. Colin Benjamin bijvoorbeeld steekt echt tijd in het coachen en begeleiden van de spelers die in de Namibische competitie voetballen.’

Een vuist maken

Een andere ervaren Afrika Cup ganger is oud-trainer Piet de Visser. We rijden met de meesterscout van PSV en Chelsea-eigenaar Roman Abramovich naar Tema om op bezoek te gaan bij de Tema Allstars, een team dat hij al meer dan tien jaar ondersteunt met ballen, schoenen en shirtjes. Terwijl we naar de training kijken –en De Visser slechts weinig tijd nodig heeft om de beste speler van het veld te ontdekken- geeft hij zijn visie op het nut van westerse coaches in Afrika. ‘Het Afrikaanse voetbal breekt maar niet door naar de top, ondanks dat Afrika echte topspelers van wereldklasse heeft’, analyseert hij. De Visser denkt de reden wel te weten. ‘Dat komt door de invloed van de nationale voetbalbond en de regering op het elftal.  Er is zoveel invloed van buitenaf op de spelersgroep dat het bijna onmogelijk is voor een coach om er te werken. Toen ik zelf bondscoach van Guinee was, moest het elftal soms vlak voor de wedstrijd nog bij de president langskomen. Ook heb ik meegemaakt dat de minister van Sport een half uur voor de wedstrijd de kleedkamer binnenkwam om zijn zegje te doen. Wat hij zei ging lijnrecht in tegen mijn eigen tactische plannen. Een binnenlandse coach zal nooit tegen zijn minister durven in te gaan. Dan durf ik of een andere buitenlandse coach toch eerder een vuist te maken en te zeggen dat wij en niet de minister of de president verantwoordelijk is voor de tactiek en de opstelling.’

Ook is er volgens De Visser nog een andere reden voor de vraag naar westerse coaches. ‘Lokale coaches hebben vaak niet het gezag onder de grote meneren’, zegt hij. ‘De Afrikaanse sterren uit het buitenland zijn gewend om met westerse coaches te werken en willen dat ook bij hun nationale elftal terugzien.’ De Visser heeft een aantal keer gezien hoe de keuze voor een lokale bondscoach verkeerd afliep. Hij wijst op zijn goede vriend Sam Ardey, die met het juniorenelftal van Ghana wereldkampioen werd. ‘Sam Ardey is een fantastische coach, maar als trainer van het nationale team werd hij niet geaccepteerd door de regeringsmensen en door de vedettes van Ghana die in het buitenland speelden. Als bondscoach was hij zijn gezag dat hij wel had als juniorencoach ineens kwijt en nam niemand hem serieus.’

De Visser heeft door de jaren heen gemerkt wat het profiel is van een trainer die het wél redt in Afrika. ‘Dat zijn buitenlandse trainers die al heel lang werkzaam zijn op het continent. Zij hebben zich die cultuur al een beetje eigen gemaakt.’ Hij wijst op Claude LeRoy en Otto Pfister. ‘Voor hen geldt dat ze al een beetje Afrikaan zijn geworden. Je moet de persoonlijkheid hebben om met de vedettes die in het buitenland voetballen te werken, en tegelijkertijd een klik zien te maken met de nationale voetbalbond en de regering van het land. Je moet een beetje aanpassen, maar ook weer niet te veel; je moet je gezag dat je als buitenlandse coach hebt behouden, maar tegelijkertijd een beetje in hun aard werken. Trainers die dat niet doen zijn gedoemd te mislukken. Kijk maar naar Arie Haan (oud-bondcoach Kameroen, mb) en Thijs Libregts (oud-bondscoach Nigeria, mb). Zij konden die klik niet vinden en waren zo weer vertrokken.’

Ook Arie Schans noemt een aantal eigenschappen op die je nodig hebt om te kunnen slagen als coach in Afrika.  ‘Het is belangrijk om geduld te tonen en het fatsoen te hebben om je te verdiepen in de cultuur van het land waar je werkt. In principe moet ik me aan de mensen daar aanpassen en niet andersom. Verder moet een trainer in Afrika invoelings-en inschattingsvermogen hebben, en vooral ook fingerspitzegefuhl. Dat heb je wel of niet. Als een trainer denkt dat hij de organisatie zoals hij die gewend is in Nederland ook binnen een week kan neerzetten in Afrika, is hij gedoemd om gillend weg te rennen. Ook van de spelers kun je niet verwachten dat ze binnen 14 dagen als een Hollander gaan reageren.’

Kennisoverdracht

Hoe lang zijn er nog buitenlandse trainers nodig in Afrika?  Colin Benjamin denkt dat Namibië voorlopig nog niet aan een lokale bondscoach toe is en hoopt dat Schans zijn contract verlengt. ‘Ik zou het wel goed vinden als lokale Afrikaanse coaches de mogelijkheid krijgen om stage te lopen bij clubs in Europa’, voegt hij daar aan toe. Arie Schans denkt dat die afhankelijkheid van westerse coaches ook nog wel even zal duren, maar hoopt dat er steeds meer trainerscursussen worden opgezet in Afrika. ‘Als we in Nederland toch geld vrijmaken voor de ontwikkeling van sport in Afrika, dan vind ik trainersopleidingen de beste vorm van ontwikkelingshulp’, zegt hij.

Maar Schans heeft door zijn ervaring gemerkt dat het niet alleen een kwestie is van het overdragen van tactische kennis. Ook culturele verschillen in het coachen spelen een belangrijke rol. ‘Ik merk bij mijn Namibische assistenten dat ze niet graag zelf beslissingen nemen’, legt hij uit. ‘Als ik ze vraag of we  Pietje of Henkie moeten opstellen, krijg ik altijd als antwoord dat dit een hele moeilijke vraag is. Als ik vervolgens Pietje zeg, merkt mijn assistent op dat Henkie ook wel goed is. Het is een andere manier van met elkaar omgaan.

Als je iemand niet opstelt, val je zo’n persoon in hun ogen ook meteen af. Mijn assistenten zijn enorm blij dat ik en niet zij de uiteindelijke beslissing moeten nemen. Als ze verder willen als coach is dat nemen van soms impopulaire beslissingen toch wel erg belangrijk.’

De Liberiaanse sportjournalist Emmanuel Geeza Williams pleit voor een duidelijker profiel van het soort westerse coach dat Afrika nodig heeft. Hij vindt dat kennisoverdracht altijd bij de taak van een westerse bondscoach in Afrika dient te behoren. ‘Nu hebben Afrikaanse landen vaak de neiging om een coach met een bekende naam aan te nemen. Hoe vaak is Ruud Gullit bijvoorbeeld niet genoemd als mogelijke bondscoach van Nigeria? Maar een grote naam die alleen maar met het nationale elftal bezig is en veel geld verdient zal het Afrikaanse voetbal geen stap verder helpen. Wat je nodig hebt zijn westerse coaches die naast het trainen van het nationale team ook samen willen werken met lokale coaches en hun kennis willen overdragen. Coaches ook die seminars willen geven in het land en samen met de voetbalbond lange termijn programma’s willen maken voor de ontwikkeling van het voetbal.

Als ze weer vertrekken uit een Afrikaans land moeten ze een systeem hebben achtergelaten. Anders heeft hun komst weinig zin gehad.’

Tekst Marc Broere en Andre van der Stouwe

Deel met anderen:
  • Print
  • Digg
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Mixx
  • Google Bookmarks
  • email
  • Hyves
  • LinkedIn
  • Live
  • NuJIJ
  • PDF
  • RSS
  • StumbleUpon
  • Technorati
  • Twitter
Line Break

Auteur: Marc Broere (100 Articles)

Marc Broere

Marc Broere is hoofdredacteur van lokaalmondiaal. Hij is schrijver van de boeken Afrika Voetbalt! en Het Zout van Afrika, sporthelden van een dynamisch continent.

Stuur een reactie