Vanavond speelt Ghana de halve finale tegen Nigeria. Tijdens deze Afrika Cup is het Asamoah Gyan die als spits de aandacht trekt bij de Ghanezen. Maar de topscorer aller tijden van de Black Stars is Prince Polley. Marc Broere en André van der Stouwe zochten hem onlangs op in Ghana.
Kumasi is een historische stad in het noorden van Ghana waar de troon zetelt van de koning van de Ashanti, een roemrucht volk uit de geschiedenis van Afrika. We rijden met Prince Polley (40) door de wijk Bantama waar hij opgroeide. Het is een volkse buurt met veel bedrijvigheid op straat. De ex-voetballer parkeert zijn auto voor de Lebanese Club. Het is een populaire plaats waar je niet alleen kunt eten en drinken, maar ook kunt sporten. Naast de Club ligt nog een voetbalveldje dat aan alle stereotypes over Afrika voldoet. Het is een stoffig veldje van rood zand, zo’n veldje waar volgens de stereotypes iedere Afrikaanse voetballer op jonge leeftijd én op blote voeten heeft leren voetballen. Prince Polley tovert de hem zo bekende lach tevoorschijn. ‘Kijk zelf’, zegt hij. ‘De kinderen hebben spelen gewoon op sportschoenen en dragen een normaal voetbalshirt. Het beeld van Afrikaanse jongetjes die op hun blote voeten spelen is grotendeels achterhaald. Toch verdwijnt het maar niet uit het beeld dat mensen in Europa van Afrikaans voetbal hebben.’
We staan op een plek waar Polley graag komt. ‘Samen met vrienden ben ik een keep fit club gestart. Iedere zondagochtend gaan we een stuk hardlopen en daarna hier op de club nog wat fitnessen en tennissen. Na afloop spelen we een voetbalwedstrijd met de jeugd. Wij zorgen voor de netten en de ballen, de kinderen voor het onderhoud van het terrein. Voor de kinderen is het leuk en leerzaam om iedere week samen met een paar oud-internationals van Ghana te spelen.’
Gezinshereniging
Prince Polley heeft twee kamers voor ons gereserveerd in het Ashanti Gold Hotel, midden in Bantama. Het hotel zit in een verbouwing en we zijn vrijwel de enige gasten. Speciaal voor ons gaan het restaurant en de bar open en gehaast wordt de stekker in het zwembad gestoken, waarna het water begint te borrelen. Polley posteert zich ontspannen aan een tafeltje naast het zwembad. Het begon voor hem allemaal op het veldje dat hij ons net heeft laten zien, vertelt de Ghanees. Hier ontmoette hij op twaalfjarige leeftijd Tony Yeboah. Ze speelden iedere dag samen en kwamen bij een kleine voetbalvereniging terecht die aan de Libanese Club verbonden was. Op zeventienjarige leeftijd werden Polley en Yeboah beiden geselecteerd voor de nationale jeugdselectie van Ghana. ‘In Liberia werden we Afrikaans kampioen. Ik kreeg een contract aangeboden bij Asante Kotoko, de grootste club van Kumasi.’ In 1987 volgde zijn echte doorbraak in Ghana toen Asante Kotoko voor de Afrikaanse Champions League moest spelen tegen het Egyptische Zamalek, de kampioen van Afrika. ‘We wonnen met 5-1 en ik scoorde twee doelpunten’, zegt Polley. Om er opnieuw met een stralende lach aan toe te voegen. ‘Die dag was ik de held van Kumasi.’
De meeste Afrikaanse talenten gaan via een spelersmakelaar naar Europa of worden ontdekt door een scout van een westerse club. Bij Polley ging het anders. ‘Mijn moeder woonde in Rotterdam’, vertelt hij. ‘Als ik voor mijn achttiende naar Nederland zou gaan, kon ik in het kader van de gezinshereniging een verblijfsvergunning krijgen.’ Of en hoe hij verder met voetbal zou moeten, daar had Polley op dat moment geen vastomlijnde plannen voor. Het werd hem in Nederland bijna vanzelf in de schoot geworpen. ‘We woonden op 200 meter van het Sparta-stadion. Ik ging bijna iedere dag naar de training kijken. Dan zag ik spelers als Ed de Goey, René van der Gijp, Mike Snoey en Peter Houtman. Telkens als de bal over de hekken werd geschoten, gooide of schoot ik hem terug.’
Op een dag besloot Polley in actie te komen. De bal was weer over het hek geschoten, maar in plaats van hem terug te gooien liep hij ermee op trainer Rob Baan af. ‘Ik vroeg hem of ik mee mocht trainen. Baan schoot in de lach en zei: zo doen we dat hier niet jongen. Meld je maar aan bij de amateurs van Sparta. Als je echt goed bent, zie ik je hier vanzelf terug.’ Een paar amateur-wedstrijden later stond Polley ook daadwerkelijk weer Baans neus. ‘Hier ben ik weer, zei ik tegen Rob. Ik had je toch gezegd dat ik terug zou komen.
Morgen komt deel twee op de website met daarin onder meer de carrière van Polley en zijn vriendschap met Jan van Halst.
Dit verhaal verscheen drie weken geleden ook in Voetbal International.








